Het publiek applaudisseert, een persoonlijke beleving van het optreden in De Nieuwe Kolk in Assen

Het publiek applaudisseert. Hij heeft zijn werk gedaan, zijn verhaal in episodes doorgegeven aan het tot de laatste stoel bezette publiek, omlijst door orkestgeluiden en mezzosopraanzang. Zichtbaar vermoeid, zichtbaar ontroerd, zichtbaar kwetsbaar in zijn gegroefd gelaat.

Zijn verhaal dateert van vijfenzeventig jaar terug en beslaat zo’n vier jaar. Een verhaal begint altijd bij de hoofdletter van het eerste woord en eindigt met de punt achter het laatste woord. Goed, er staat een punt, maar het verhaal is niet af; zijn verhaal lijkt niet te eindigen. Hij kijkt dan ook aarzelend op, recht zijn vermoeide rug na de laatste uitgesproken woorden. Het publiek heeft stil geluisterd, weet genoeg; ziet het zichtbare verdriet en huilt zachtjes mee. Het applaus houdt niet op; het zijn de schouderklopjes van het publiek voor de verteller: ‘Wij blijven; wij gaan niet weg; jouw tranen zijn onze tranen.’

Het verhaal is op zich snel verteld, belichaamt echter een niet voor te stellen waarheidsvindingrijk gedachtegoed: -mensen doden mensen- en het blijft onduidelijk waarom. Met z’n eenenzeventigen in een wagon, de overlopende drekton in het midden; drie dagen lang. Geüniformeerde mensen scheiden mannen en vrouwen. Ook als je nog jong bent en gelukkig, toekomstverwachtingsvol getrouwd. Niet toen, niet nu, niet ooit afscheid kunnen nemen is de intens pijnlijke open wond, gegroefd in het metaforisch ontroerde gelaat: ‘Ook het voor de zoveelste keer dit verhaal te vertellen, laat mij niet onberoerd.’

Het orkest en de mezzosopraan volgen in scherpzinnige harmonie de beelden aan de wand. Zwijgen wanneer hij weer het woord neemt, zijn episodisch verhaal vervolgt, zoals hij zich nog steeds door de geconcentreerde vernietigingskampen vervolgd weet: de nietsontziende onbegrijpelijke en begripvervreemdende wreedheid waarmee mensen medemensen haten, vervolgen, vergassen, vermoorden en vergruizen in nietsverhullend zinloos geweld.

Hij verzoekt het publiek niet stil te blijven staan bij zijn verhaal, zijn verhaal niet te verzwijgen. Hij verzoekt het publiek zijn verhaal door te vertellen aan hen die willen horen. Hij slikt bij het noemen van de naam van zijn jonge vrouw, die in het verhaal verdwijnt, opgelost in het aantal van miljoenen vermisten. Zo loop je hand in hand een zekere, zij het niet te duiden toekomst tegemoet; zo blijf je elkaar in diezelfde toekomst voor eeuwig zoeken, zeker wetend dat je niet zult vinden.

Hem rest zijn verhaal te blijven vertellen, met een bittere uithaal naar de daders en de toekijkers, wat het verhaal nog pijnlijker doet zijn, de vermoeidheid nog groter en het leed nog onuitgesprokener. Met ook de angst dat nieuwe daders zich zullen melden, met verve de gaskraan weer open zullen draaien boven ineengeschoven mensenmassa’s. De angst dat de toekijkers zullen blijven toekijken en zich zo achter de daders scharen, mogelijk met applaus of met het opgeëiste en volgzaam gemimeerde woordeloos herkenningsgebaar.

Hij heeft nog enige tijd te gaan. Het orkest en de mezzosopraan ook. Het publiek ook. Leven plant zich voort, zoals verhalen zich herhalen. Leven en verhalen noemen mensen bij naam, en toenaam; noemen Jules, die vertelt; noemen Rachel, die zwijgt. En wie zwijgt, stemt toe.

Harry van Velsen

kolk1

Foto: Herinneringscentrum Kamp Westerbork, fotograaf: Sake Elzinga

vfonds-logo-300
 
image001
 
Carnegie_logo_nederlands

logo-evz

 

fonds

 

logo_minvws

AFK_met_Rood_CMYK_Liggend

 

PG-logo_klein

 

den-haag